Historie van het predikaat Koninklijk dat sedert 1865 de naam van het muziekgezelschap Koninklijke Harmonie van Thorn siert

Inleiding

De Koninklijke Harmonie van Thorn wordt in 1812 opgericht als Philharmonisch Muziekgezelschap van Thorn. Voor wat betreft de geschiedenis van dit gezelschap in de negentiende eeuw staat 1865 met vette letters geschreven in de annalen. In dit jaar verkrijgt het muziekkorps van koning Willem III het toen zeldzame predikaat “Koninklijk” (2).  Dit is tevens aanleiding om vanaf dan de eervolle naam Koninklijke Harmonie van Thorn te gebruiken, en een nieuw vaandel te laten vervaardigen.

 

Thans nog bestaande koninklijke onderscheiding
De mogelijkheid van toekenning van dit predikaat als een onderscheiding voor bedrijven, verenigingen of instellingen is er nog steeds. De Koning(in) kan het recht geven om het predikaat Koninklijk te voeren, mits de organisatie een zeer belangrijke plaats inneemt in het vakgebied, van landelijke betekenis is en (in principe) ten minste honderd jaar bestaat (3).
Er zijn in Nederland ruim 550 bedrijven, verenigingen en instellingen door Hare Majesteit de Koningin en haar voorgangers onderscheiden met het predikaat Koninklijk(4)  Daarmee hebben zij het recht “Koninklijk” voor hun naam te mogen voeren in combinatie met de koninklijke kroon. Elke vijfentwintig jaar moet een verzoek aan Hare Majesteit de Koningin worden gedaan om dit recht te verlengen.

 

Verlenging predikaat Koninklijke Harmonie van Thorn in 2010
Het afgelopen jaar is het recht opnieuw voor vijfentwintig jaar bestendigd, volgend op de voorlaatste verlenging in 1985. De consequente reeks van 25-jaarlijkse verlengingen is doorbroken door de Tweede Wereldoorlog. Hierdoor is niet in 1940 gecontinueerd, maar pas in 1960. Telkens heeft een toetsing plaats waarbij in de procedure dezelfde stappen worden doorlopen als bij een (eerste) aanvraag. (5).  Zo ook in het jaar 2010. In het begin van dat jaar is het verzoek in een uitvoerig dossier aan de burgemeester van de gemeente Maasgouw aangeboden, die deze stukken heeft doorgeleid naar de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg. Gouverneur Frissen heeft het verlengingsverzoek, voorzien van advies, voorgelegd aan Hare Majesteit de Koningin. In de loop van het jaar is bericht ontvangen dat de Koningin heeft besloten tot bestendiging. Omdat aan het voeren van het predikaat bepalingen zijn verbonden is er een bijeenkomst gehouden ter ondertekening van een officiële verklaring. De harmonie heeft door ondertekening van dit document, namens de gouverneur aangeboden door burgemeester Strous, verklaard kennis te hebben genomen van de bepalingen en zoals het officieel luidt, “zich daarnaar te zullen gedragen”.

 
Historie van deze bijzondere koninklijke onderscheiding
Het predikaat Koninklijk is in 1806 voor het eerst verleend door koning Lodewijk Napoleon aan de toenmalige Staatsdrukkerij en aan de Marine. De Oranjes hebben de door de Koning van Holland verleende predikaten bestendigd en de toekenning tot op heden voortgezet. Het predikaat koninklijk bestaat dus ruim tweehonderd jaar (6). De Koninklijke Harmonie van Thorn behoort bijna anderhalve eeuw tot de inmiddels ruim 550 predikaathouders.

Er is in het kader van het tweehonderdjarig bestaan door Dr. J.R. van Zwet in 2006 wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de historie van deze bijzondere koninklijke onderscheiding (7). Het onderzoek “200 jaar koninklijk” beschrijft de oorsprong en hoe in de negentiende en twintigste eeuw door de koning Willem I en troonopvolgers is beschikt op verzoekschriften waarin is verzocht om toekenning van het predikaat. Hij schrijft onder meer het volgende:  “Naast de staatsinstellingen en ondernemingen vormen de verenigingen, die sinds koning Willem II in aanmerking kunnen komen voor het predikaat, een geheel eigen categorie. De noodzaak de eisen, die aan de predikaathouders gesteld worden steeds verder aan te scherpen, houdt namelijk verband met de groei van het aantal koninklijke verenigingen. Verband is er echter ook met de uitoefening van het koningschap en de eisen die de moderne tijd daaraan stelt. De duidelijke regels, die vastleggen wie voor het predikaat in aanmerking kunnen komen, zijn grotendeels onder koningin Juliana en koningin Beatrix tot stand gekomen. Het effect van dergelijke regels is tweeërlei. Hoewel de verlening van het predikaat nog steeds een koninklijk prerogatief is, geldt toch dat de vrijheid van het staatshoofd predikaten naar welgevalligheid te verlenen is beperkt. De voorwaarden liggen immers vrijwel vast, sinds koningin Beatrix zelf de regels hiervoor opstelde in 1988. Tegelijkertijd zorgen deze voorwaarden er ook voor dat de waarde van het predikaat als onderscheiding toeneemt.” (8)  Van Zwet schrijft over de inrichting van het koninkrijk toen koning Willem I aantrad: “Dankzij koning Lodewijk Napoleon erfde Willem I een compleet ingericht koninkrijk”. Hij beschrijft hoe de voortzetting plaatshad wat betreft staatsinstellingen, leger en marine, nationale instellingen en koninklijk onderwijs. Aan het eind van zijn regering, in 1838, heeft koning Willem I goedgevonden dat er een eerste koninklijke vereniging werd opgericht. Dit had te maken met het formele verzoek om de valkenjacht op Het Loo te mogen beoefenen. Instigator was een kleinzoon van de koning, terwijl het formele verzoek werd ingediend door twee buitenlandse heren uit de vriendenkring van de koninklijke familie. Die valkenjacht of hawking in het Engels – zo verhaalt Van Zwet – was een bijzonder adellijk en kostbaar tijdverdrijf. De sport behelst de jacht mèt – niet op – valken. Na het nodige ambtelijke geregel kon de club daadwerkelijk worden opgericht tijdens de eerste jacht die gehouden kon worden. Het eerste reglement sprak van het “Koninklijk Nederlandsch Valkeniers-Gezelschap opgerigt op het Loo in den jare 1839”. Overigens kan nog worden vermeld dat er valkeniers uit Valkenswaard bij het hele valkerij gebeuren betrokken waren. In 1855 is het doek gevallen en verdween de eerste koninklijke vereniging van het toneel. (9)

Het onderzoek van Van Zwet geeft ook antwoord op de vraag wanneer, na de oprichting door Willem I van de eerste koninklijke (valkeniers)vereniging, vervolgens door Willem II de eerste “KONINKLIJKE HARMONIEËN’ – zoals hij noemt – zijn “gecreëerd”:   “Het betrof een drietal harmonieën in het zuiden des lands. Dat juist in dit gedeelte van ons land voor het eerst verenigingen van burgers een zo duidelijke band met de koning verwierven was natuurlijk geen toeval, maar had alles te maken met de bijzondere positie die het zuiden tijdens de volhardingspolitiek had ingenomen en waar uiteindelijk in 1839 een einde was gekomen.” (10) Hij beschrijft vervolgens de staatkundige verwikkelingen voor onze regio in de periode 1831-1839, ook wat betreft de discussies over de splitsing van Limburg en grensbelijningen op de linkeroever van de Maas nabij Kessenich, Bree en Bocholt.

De eerste vereniging die Koning Willem II het predikaat Koninklijk heeft verleend was de Philharmonie van Breda. “Op de achtergrond speelden in dit geval twéé zaken mee. De bijzondere verbondenheid met een familielid van de koning – zoals ook het geval was geweest met The Royale Loo Hawking Club – en de genormaliseerde verhouding tot België.” Aanleiding was een uitnodiging die de Philharmonie van Breda ontving om in Turnhout ter opluistering aanwezig te zijn bij de opening van de Turnhoutse Vaart. Het ingediende rekest had de steun van de broer van de koning prins Frederik, de gouverneur van de provincie Noord-Brabant en de burgemeester van Breda. De beargumenteerde beschrijving van de toedracht rond de afwikkeling van het rekest, eindigt met de conclusie: “Op 7 oktober 1846 keurde de koning het voorstel goed en twee dagen later berichtte de “adjudant der Koninklijke Paleizen, belast met de functies van Hofmaarschalk” aan de Philharmonie te Breda , dat het gezelschap zich voortaan Koninklijk mocht noemen. Overigens wordt door de auteur niet vermeld hoe lang de vereniging dan bestaat. Het zal in dit geval wellicht ook geen rol hebben gespeeld. (11)


De tweede vereniging die het predikaat van Willem II verkreeg, was de harmonie van Maastricht.
Onderzoeker Van Zwet geeft een schets van de staatkundige perikelen en wijst erop, dat Maastricht als enige stad in Limburg tijdens de Belgische opstand in Nederlandse handen was gebleven.
De harmonie is opgericht in 1825 en bijzonder vermeldenswaardig is dat nog voor het eerste lustrum het jonge muziekkorps zich tot koning Willem I richtte met het verzoek om aan de sociëteit “den titel van Koninklijke Harmonie der stad Maastricht te vergunnen”. Helaas moet de gouverneur van Limburg in maart 1830 berichten dat de koning afwijzend had beschikt. De auteur beschrijft uitvoerig hoe de Maastrichtse vereniging in de daarop volgende jaren alles in het werk stelt om het predikaat toch te verwerven. Mede door toedoen van de president van de harmonie die de ambtelijke wegen kende, omdat hij ook districtscommissaris was van Maastricht, is dit in 1846 uiteindelijk ook gelukt.

De stedelijke harmonie die in het gedenkboek “200 jaar koninklijk” als derde aan de orde komt is het Philharmonisch Gezelschap van Roermond. Anders dan Maastricht is Roermond de hele periode 1830-1839 onder bestuur geweest vanuit Hasselt. In de tijd tussen 1839 en 1841 wordt meer en meer duidelijk hoe het bestuur in deze regio een vervolg krijgt. Ook de relatie van koning Willem II met de katholieke kerk en de stappen op weg naar herstel van de bisschoppelijk hierarchie (1853) komt aan bod, in het bijzonder ten aanzien van de persoon mgr. J.A. Paredis. Van Zwet concludeert: “Hoe welwillend de koning zich ook tegenover de Roermondenaren betoonde, het in 1840 door het Philharmonisch Gezelschap ingediende verzoek het predikaat Koninklijk te mogen voeren, willigde hij nog niet in. Het Gezelschap had hem weliswaar een serenade gebracht, maar het was natuurlijk wel èrg kort na de hereniging. Bovendien had Roermond in 1830 de kant van de opstandelingen gekozen. Vijf jaar later lukte het wel. Toen Willem II in 1846 opnieuw naar Roermond kwam – èn hem wederom een serenade bracht – bood het bestuur de koning opnieuw een verzoekschrift aan. Of de koning nu spontaan ja zei of niet, er volgde een maand later een schrijven van de waarnemend hofmaarschalk, waarin werd medegedeeld dat de koning de titel  Koninklijke Harmonie op 7 december 1846 verleend had. Inmiddels had men ten paleize de gelegenheid gehad het advies van de “Gouverneur van het Hertogdom Limburg” in te winnen en die had de aanvrage krachtig en uitgebreid ondersteund. Van Zwet wijst er tevens nog op dat in het dossier nog een extra document is aangetroffen: “In het dossier bevindt zich ook nog een kopie van een brief van de burgemeester van Brussel, die bevestigt, dat het Philharmonisch Gezelschap het in 1830 door La Grande Harmonie in die stad georganiseerde concours had gewonnen. Die overwinning heeft het Gezelschap – en vanaf 1846 de Koninklijke Harmonie – vijftig jaar lang ieder jaar herdacht. Het is niet meer dan logisch, dat men ook de koning bij de aanvrage van het predikaat op de hoogte heeft willen stellen van dit wapenfeit”(12)

Voor wat betreft het koninklijk bewind van Willem II komt in het gedenkboek “200 jaar koninklijk”, ook “Koninklijk Tilburg” aan bod. De stad Tilburg heeft een grote rol gespeeld in het leven van koning Willem II. Het is volgens de onderzoeker duidelijk dat hij zeer op Tilburg gesteld is geweest. Daarom acht hij het dan ook merkwaardig, dat hij tijdens zijn regering geen blijk van waardering heeft gegeven door het predikaat Koninklijk te verlenen. Er waren immers wel degelijk instellingen, die daarvoor in aanmerking zouden zijn gekomen. De in 1843 opgerichte Nieuwe Harmonie van Tilburg begeleidde op 3 april 1849 bij de begrafenis van Willem II de stoet met treffende treurmuziek. Vrijwel exact een jaar na de begrafenis verleende koning Willem III op 1 april 1850 het predikaat Koninklijk aan de Nieuwe Harmonie, volgens de schrijver alsnog als beloning voor het dienstbetoon aan koning Willem II. (13  )


De onder zijn vader begonnen ontwikkeling om ook verenigingen het predikaat Koninklijk te verlenen heeft Willem III nadrukkelijk voortgezet. Van Zwet wijst er hier echter op dat tijdens zijn regering onderscheiden verenigingen bovendien een duidelijk licht werpen op ’s konings eigen liefhebberijen, zoals met name de handboogschutterijen, weerbaarheden en schutterijen. Ook komt echter naar voren dat Willem III een groot muziekliefhebber was en dat hij in 1876 de Stafmuziek van het Regiment Grenadiers en Jagers opwaardeerde tot Koninklijke Militaire Kapel, die inmiddels in 2005 met drie andere militaire orkesten is opgegaan in de Koninklijke Militaire Kapel “Johan Willem Friso”

 

Verlening van het predikaat in 1865
De voorgeschiedenis van het predikaat Koninklijk inmiddels wetende komt nu ook de toekenning van deze onderscheiding aan het Philharmonisch Gezelschap van Thorn in 1865 aan de orde.
Thorner muzikanten togen reeds in 1829 naar Weert ter opluistering van een verwacht bezoek van Koning Willem I. De koning zou op een van de reizen naar het zuiden van het Koninkrijk volgens planning ook Weert aandoen. Dit bezoek werd echter, op het laatste moment, afgezegd omdat een tocht langs de Zuid-Willemsvaart hoogstgevaarlijk zou zijn. De dijken langs die pas aangelegde vaart waren zeer smal en vanwege het regenweer zeer glibberig. Bovendien hadden de dijken zich nog niet gezet, zodat herhaaldelijk verzakkingen en doorbraken voorkwamen. Zij waren voor snelrijdende koetsen onberijdbaar, daarom ging koning Willem I vanuit Hasselt naar Den Bosch.  ( 14 )
In Weert was intussen alles in gereedheid gebracht. Burgers, muzikanten en gemeentelijke overheid stonden al “ten acht ure des ochtends” klaar, toen het bericht kwam dat de koning niet naar Weert zou komen: “Deze tijding was voor allen bedroevend en de vergadering ontbond zich onder den algemeenen kreet van Lang Leve de Koning” (15)
De daar aanwezige muzikanten uit Thorn en Pierre van Dooren, oud-trompetter in het leger van Napoleon en latere directeur van de plaatselijke muziekvereniging in Weert, kregen een tegemoetkoming in de onkosten van elk 2,33 gulden. (16)
Bij een ander bezoek aan Weert in 1842 waren wederom Thorner muzikanten gevraagd. Op 15 juni van dat jaar kwam koning Willem II ditmaal daadwerkelijk naar Weert. (17)
In het “Gedenkboek van inhuldiging en feesttochten van Zijne Majesteit Willem II, 1840-’42” wordt ook over het bezoek aan Weert gerapporteerd(18) En uit de Weerter gemeenteraadsbesluiten van 1842 kan worden vastgesteld dat het “binnen de gemeente Thorn bestaande harmonisch gezelschap” hiervoor een gratificatie kreeg van dertig gulden.
Of er ook Thorner muzikanten aanwezig zijn geweest bij de beschreven bezoeken van de koning aan Roermond in 1840 en 1846, bij gelegenheid waarvan het Roermonds muziekgezelschap verzoeken deed om zich “koninklijk” te mogen noemen, is niet bekend c.q. niet onderzocht.
Zoals reeds vermeld waren er sedert 1846 in Limburg slechts twee muziekgezelschappen met dit predikaat, een in Maastricht en een in Roermond.
Ruim twintig jaar later sluit ook het muziekgezelschap van Thorn aan bij dit exclusieve gezelschap.
Gezien de voorgeschiedenis bij de andere gezelschappen doet zich de vraag voor of ook in het geval van Thorn sprake is van herhaald verzoek, of op eerste verzoek. Uit gegevens die tot nu toe bekend zijn moet worden vastgesteld dat dit op eerste verzoek is gebeurd. Al zou verondersteld kunnen worden dat in 1862 een poging gedaan zou kunnen zijn, wanneer men uitgaat van een vijftigjarig bestaan van het gezelschap in dat jaar. Maar dat jubileumjaar kwam in het teken te staan van de in Thorn bekende fricties met pastoor Beelen die tot een breuk leidden.
In het jaar 1865, de 3e april, wordt een verzoekschrift ingediend, waarop reeds één maand later in mei, gedagtekend 6 mei 1865, een positieve beschikking volgt (19)
In de geschiedschrijving van de Koninklijke Harmonie van Thorn is aangehaald dat kroniekschrijver Henri Roumen twee personen als de iniatiefnemers aanmerkt, te weten de president van het muziekgezelschap Rubens alsmede graaf Hompesch-Rürich.
Jean Jacques Thomas Rubens (1808-1866) is dan niet alleen president van het Thorner muziekgezelschap, maar ook burgemeester van Thorn en lid van Provinciale Staten. Hij komt voor op de lijst van circa 150 hoogstaangeslagenen in de rijksbelastingen in Limburg, waarop ook voorkomt graaf Hompesch-Rürich. De familie Rubens heeft dan in de regio een wijd verbreid netwerk aan contacten met bestuurders, gegoede burgerij en landadel.
Bekend is dat er al voor 1865 contacten bestonden tussen de graaf en het Philharmonisch Gezelschap van Thorn. Het is de vraag in welk jaar de graaf is benoemd tot beschermheer van het muziekgezelschap.
Adolf Maria Carl Franz, Graaf de Hompesch-Rürich (1834-1893) is in 1859 gehuwd met baronnesse Amailie Dorothée Auguste Jeanne Hermine Frederique de Riedesel d’Eisenbach te Ohe en Laak. Zij zijn de erfopvolgers op kasteel Walborg aan de overkant van de “nieuwe’ Maas, dat dan met een veerpont met de overzijde van de Maas, waar Ophoven, Geistingen, Kessenich en Thorn zijn gelegen, is verbonden. In de huwelijkse voorwaarden wordt hij als te Maastricht en zij als te Ohe en Laak genoemd (20).
In 1864 wordt de graaf benoemd als “kamerheer in buitengewone dienst van Z.M. den Koning”, te beschouwen als een koninklijke onderscheiding. Het Harmonisch Gezelschap “Concordia” van Thorn brengt hem naar aanleiding hiervan op 2 februari 1864 een serenade op Walborg 
Tegelijk met het verzoekschrift van het Philharmonisch Gezelschap werd een aanbevelingsbrief verzonden, ondertekend door H. Forstner van Dambenoy, een baron geboren in 1792 te Maastricht, met een indrukwekkende staat van dienst als legerofficier en later dienend in de hofhouding van het Koninklijk Huis, en in het bijzonder in de nabijheid van de Prins van Oranje, de latere koning Willem III.
Uit de stukken blijkt verder niet wie uit de kringen van Rubens en graaf Hompesch indirect nog aanbevelingen hebben gedaan.
Nadat in 1865 het recht tot het voeren van het eervolle predikaat Koninklijk was verworven ging het gezelschap zich Koninklijke Harmonie van Thorn noemen. Er werd met royale steun van de graaf, die zich bereid had verklaard erepresident te zijn van de vanaf dat moment “Koninklijke” Harmonie, een nieuw vaandel vervaardigd. Aan de penningenkrans bovenaan het vaandel hangen sedertdien ook de twee wapenschilden van de adellijke geslachten Hompesch en Riedesel. Graaf Hompesch was tot zijn overlijden in 1893 beschermheer. Nadien was de barones nog beschermvrouwe tot haar overlijden in 1910. In deze rol bood de Gravin de Hompesch-Rurich bij het koninklijk bezoek van H.M. Koningin Wilhelmina en Z.K.H. Prins Hendrik in 1903 aan Roermond in aanwezigheid van en namens de Koninklijke Harmonie van Thorn een bloemenruiker aan de koningin.


xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
FOTO koning WILLEM III
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Muzikale opluistering van Koninklijke feestdagen en bezoeken
In de loop der jaren heeft de Koninklijke Harmonie van Thorn in muzikale uitingen uitdrukking gegeven aan de verbondenheid met het koninklijk huis, in de eerste plaats tijdens de heugelijke gebeurtenissen en bijzondere feestdagen. Als zeer bijzondere momenten kunnen worden genoemd het bezoek van Prins Bernhard aan Thorn in 1952 en de deelname aan het defilé te Soestdijk tijdens Koninginnedag 30 april 1965. De Koninklijke Harmonie van Thorn kreeg in 1965 de eervolle uitnodiging tot deelname aan het defilé vanwege de viering van 100 jaar predikaat “koninklijk”.
In 1987 waren prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven ere-gasten in Thorn bij gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de harmonie.

Koninginnedag 2011 in Thorn
In het jaar 2011 komt bij hoge uitzondering de voltallige koninklijke familie naar het Witte Stadje Thorn. Voor de Koninklijke Harmonie van Thorn komt dit koninklijk bezoek in de aanloop naar het 200-jarig bestaan (2012) en 150 jaar predikaat “koninklijk” (2015).
Het voormalig vorstendom Thorn heeft een dergelijk grootschalig vorstelijk bezoek nog niet eerder meegemaakt. Onze generatie zal dit wellicht ook niet meer opnieuw beleven. De koninklijke familie gaat na het bezoek aan Thorn ook naar Weert. Thorn en Weert brengen in 2011, evenals in 1842 bij het bezoek van koning Willem II, op dezelfde dag een huldeblijk aan de koninklijke gasten.
De Koninklijke Harmonie van Thorn beschouwt het als een bijzondere eer het bezoek muzikaal te mogen opluisteren. Dit gebeurt in de vorm van een mini-concert voor de koninklijke gasten op het buitenpodium, een aansluitend een extra concert voor het grote publiek.


Bronnen
• De geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, 1991
• Blaasmuziek in Limburg, 50 Jaar RK Limburgse Bond van Muziekgezelschappen, Thorn, 1989
• Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, dr. Jan Rutger van Zwet ,Stichting Koninklijk Verbonden ‘s-Gravenhage,  2007
• Archiefstukken Koninklijke Harmonie van Thorn
• Kabinetszaken Gemeente Maasgouw
• Gegevens op de officiële website van het Koninklijk Huis (www.koninklijkhuis.nl)
(1) Schrijver van deze bijdrage: drs P.L.G.C.M. Parren, gedurende de jaren 1992-2010 president van de Koninklijke Harmonie van Thorn. Voor de beschrijving van de historie van het predikaat in het algemeen is dankbaar gebruik gemaakt van het in 2007 verschenen Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, Stichting Koninklijk Verbonden,  ’s-Gravenhage. De auteur van dit gedenkboek,  Dr Jan Rutger van Zwet (1969), studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde in 2004. Hij werkte als wetenschappelijk onderzoeker bij de Nederlandse Bank en als gastdocent bij de Rijksuniversiteit Leiden.
Voor wat betreft de toekenning aan het Thorner muziekgezelschap is de beschrijving grotendeels gebaseerd op het boekwerk “De geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn”  J. Tonnaer, 1991.
(2) Andere harmonie of fanfare-gezelschappen in Limburg waaraan in de 19e eeuw dit predikaat is toegekend: Koninklijke Maastricht in 1846, Philharmonisch Gezelschap van Roermond eveneens in 1846, Koninklijke Harmonie van Horst in 1887. De Koninklijke Harmonie van Thorn staat chronologisch – in het jaar 1865 - als derde in de rij. Er is dus sprake van zeldzaam of uniek in de 19e eeuw.
De toedracht rond de toekenning krijgt hierdoor een extra dimensie die het onderzoeken waard is, in relatie tot de geleidelijke staatkundige inbedding van Limburg in Nederland.
Bedrijven in Limburg die momenteel houder van het predikaat “Koninklijk”zijn: Koninklijke DSM NV  Heerlen,
Koninklijke Fabriek van Tabakspijpen Elbert Gubbels en Zonen B.V. Roermond,
Koninklijke Mosa B.V. Maastricht en Koninklijke (Baggerbedrijf) Smals Beheer BV Herten.
(3) In de Koninklijke Beschikking van 15 augustus 1988 nr. 34 en de Koninklijke Beschikking van 8 december 2004 nr. 9 staat onder meer beschreven aan welke voorwaarden momenteel moet worden voldaan om het predikaat Koninklijk te verkrijgen.
(4) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 168 t/m 179. Het in dit boek opgenomen register dateert van  november 2006. Een actueel overzicht van gerechtigden is te raadplegen via de website www.koninklijkhuis.nl
Verenigingen in Maasgouw in het register van Gerechtigden Predicaat Koninklijk:
Koninklijke Harmonie van Thorn, gevestigd te Thorn (opgericht 1812; toekenning in 1865)
Koninklijke Harmonie “Lentekrans”, gevestigd te Linne (opgericht 1873; toekenning in 1949)
Koninklijke Harmonie “Eendracht Maakt Macht”, gevestigd te Wessem (opgericht 1868; toekenning in 1968)
Overigens dient het begrip “Predicaat Koninklijk” niet te worden verward met het begrip “Koninklijk Erkend”.
(5)  Aanvraagprocedure: Het predicaat kan worden aangevraagd via de burgemeester in de statutaire vestigingsplaats. De burgemeester verifieert of voldoende gegevens ter ondersteuning van de aanvraag zijn toegevoegd. Deze gegevens worden niet openbaar gemaakt.De registers van de Justitiële Documentatiedienst worden geraadpleegd. De aanvraag wordt, voorzien van het advies van de burgemeester, aangeboden aan de commissaris van de Koningin die op zijn beurt adviseert na informatie te hebben ingewonnen bij verschillende instellingen, bijvoorbeeld diensten en ministeries die relevant zijn voor de beoordeling. De commissaris van de Koningin bericht de aanvrager over de beslissing van de Koningin. Bij toekenning reikt de commissaris van de Koningin gewoonlijk de oorkonde uit die bij het predicaat hoort. De gehele procedure neemt geruime tijd in beslag (ongeveer een jaar). Formeel en  procedureel is het geen ministeriële aangelegenheid. De organisatie van werkzaamheden verbonden aan dit prerogatief van de koning(in) is geheel in handen van de Dienst van het Koninklijk Huis.
(6) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 5, 10 en 13
(7) Gepubliceerd in: Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, dr. Jan Rutger van Zwet ,Stichting Koninklijk Verbonden ’s-Gravenhage, 2007
(8) In de Koninklijke Beschikking van 15 augustus 1988 nr. 34 en de Koninklijke Beschikking van 8 december 2004 nr. 9 staat onder meer beschreven aan welke voorwaarden momenteel moet worden voldaan om het predikaat Koninklijk te verkrijgen. De Dienst van het Koninklijk Huis, belast met de organisatie van werkzaamheden, heeft hieraan een actuele uitwerking gegeven.
 ( 9) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 54 en 55
(10) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 63 en 64
(11) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 64 en 65
( 12) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 66 t/m 69
( 13) Gedenkboek “200 jaar koninklijk”, blz. 69 en 70
( 14) Groen van Prinsterer, Rijks Geschiedkundige Publicatiën 93, Gerretson en Goslinga, Den Haag 1951, blz. 509; De Geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, 1991, blz. 20 en 21)
(15) De Geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, 1991, blz. 21 en 28; “Zittingen van den Rade Weert”, vergadering d.d. 27-6-1829, G.A. Weert; 
(16) De Geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, 1991, blz. 21; “Zittingen van den Rade Weert”, vergadering d.d. 27-6-1829, G.A. Weert; In dienst voor Napoleons Europese droom, De verstoring van de plattelandssamenleving in Weert, Joost Welten, 2007 blz. 605 en 606
(17) De geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, blz. 21
(18) “Gedenkboek van inhuldiging en feesttochten van Zijne Majesteit Willem II, 1840-’42” , J.J.F. Wap, ‘s-Hertogenbosch
(19) De geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, blz. 47 t/m 50.
(20) Roermond, Repertorium notarieel archief G.Ch.H.Guillon, inv.nr.1859/143.
(21) De geschiedenis van de Koninklijke Harmonie van Thorn, J. Tonnaer, blz. 116, 155, 217, 218

Noten

 

 

Categorie: Harmonie